Afgelopen zomer voerde Europa een fors hogere invoerheffing in voor auto’s die in China gebouwd worden. De Europese Commissie kreeg immers, ogenschijnlijk plotsklaps, in de gaten dat de verplichte elektrificatie de deur openzette voor oneerlijke Chinese concurrentie. Een Economisch bloedbad op ons Oude Continent begon zich toen al te voltrekken. Net voor Europese verkiezingen wou de EU strijdvaardig lijken.
Tot ruim 35 procent extra belasting voor auto's met overheidssteun
Bovenop de reeds aanwezige invoertaks van 10 procent werd een supplementaire importheffing geheven. De grootte daarvan is afhankelijk van wat Europa denkt dat de ‘ongeoorloofde’ steun aan het bedrijf in kwestie is. Zo kreeg Tesla 7,8 procent extra aan z’n been, terwijl dat voor een bedrijf als Geely (waar onder meer Volvo, Polestar, Zeekr…) toe horen al 18,8 procent werd. En SAIC moest zelfs 35,3 procent extra ophoesten.
Deze merken vechten terug
Nodeloos te stellen dat automerken die in China gebouwde auto’s alhier aan de man brengen, niet wild zijn van de maatregel. Inmiddels proberen enkele merken bij Europese rechtbanken een gunstiger tarief of een afschaffing af te dwingen. Onder meer BMW, Geely, SAIC en BYD ondernemen nu juridische stappen. Tesla vervoegt nu de lijst. Dat bedrijf kreeg een beperkte extra belasting omdat het de EU kon overtuigen dat het in China slechts beperkte overheidssteun genoot, maar het wil helemaal van de extra invoerheffing af. In 2023 was 28 procent van uit China geïmporteerde elektrische auto’s een Tesla.